Hayat El Khattabi
Hayat El Khattabi

‘Mijn man benam zich het leven. Toen de hulpdiensten belden, kon ik alleen maar zuchten. Ik wist het al lange tijd, dus verbaasd of geschokt was ik absoluut niet. Hij had het me al verteld, hij zei: ‘Diana, ouder dan 60 word ik niet.’ En dat was dat. Ik had er vrede mee genomen. Ook mijn moeder had ervoor gekozen een einde te maken aan haar leven. De reden heb ik nooit geweten. Misschien was ze gewoon niet gelukkig. Mijn man wel, hoor, maar die wilde liever niet oud worden.’

Terwijl ik wacht op de tram richting Stuivenberg, denk ik terug aan mijn laatste bezoek aan het plaatselijke ziekenhuis. Daar maakte ik een aantal lentes geleden voor het eerst kennis met Diana. Ze had me haar boterhammen aangeboden, ik had ze beleefd afgeslagen en meer was er niet nodig geweest om het gesprek op gang te brengen.

‘Ik heb geen kinderen, daar zijn we nooit aan begonnen. Dan word je soms weleens eenzaam, maar gelukkig heb ik mijn zus nog. We wonen allebei op Linkeroever, elk in een andere blok, maar wel dicht bij elkaar. Ik woon op het elfde verdiep, mijn zus op het dertiende.’ Diana zette zich wat rechter, terwijl ze het kussen achter zich wat beter legde. ‘Zo ben ik hier eigenlijk terechtgekomen’, voegde ze er aan toe. ‘Ik neem steeds de trap, zo blijf ik fit zonder dat ik echt moet gaan sporten. Maar een paar dagen geleden was ik plots wat sneller beneden dan ik gepland had. De ambulance kwam me halen en nu lig ik hier.’

De rode bolletjes verspringen. Nog een zestal minuten voor de tram aankomt. Ik sta recht en wandel heen en weer. Aan de overkant van de halte probeert een klein meisje, benen gestrekt, haar voeten aan te tikken. Wat later vult het metrostation zich met een zacht gebrul. De kleine turnster is van de bank getuimeld en zoekt al snikkend troost bij haar moeder, die sussend over haar rug wrijft.

Ze prutste wat aan de buisjes die aan haar lichaam verbonden waren en wreef vervolgens over haar arm. Een reeks blauwe plekken kwam tevoorschijn. Ik vroeg of het pijn deed. ‘De pijnstillers doen hun werk,’ antwoordde ze tevreden. Vervolgens begon Diana verder te vertellen: ‘Weet je, toen ik zo jong was als jij, werkte ik in het café van mijn ouders. Ik was het mooiste meisje, met lange blonde haren en een prachtige, smalle taille. Iedereen wilde steeds met me dansen.’ Ze keek me niet meer aan, maar staarde dromerig voor zich uit, alsof ze zich elk detail voor de geest wilde halen uit lang vervlogen tijden.

Het geluid van een naderende tram haalt me uit mijn gedachten. Ik stop met heen en weer slenteren en sluit me aan bij de hoop passagiers die ongeduldig wachten tot de deuren van de tram openen. Terwijl ik een plaatsje naast het raam zoek, rijdt de tram weer verder.

Diana is helemaal op dreef gekomen. Ik hoorde haar vertellen over hoeveel ze  gedanst had tot haar voeten rood en gezwollen waren, over hoe ze haar man had ontmoet toen ze net begon te werken en tenslotte over hoe het noodlot meermaals had toegeslagen. Nog steeds had ik absoluut niet het minste benul van wat ik moest zeggen of doen. Ik vroeg haar of ze het erg vond. Wat ik daar nu precies mee bedoelde, weet ik zelf niet. Ik wist gewoon dat ik iéts moest zeggen. Maar ze leek me te begrijpen: ‘Als je zo oud wordt als ik dan kan je het zien als een vloek en een zegen tegelijkertijd. Ik heb zoveel meegemaakt in al die jaren, maar ik leef nog. Ik ben een gelukkige vrouw, dat kan ik je verzekeren. Trouwens, ieder huisje heeft zijn kruisje, dat is hoe het leven draait, begrijp je?’ Ik knikte.

Na twee haltes druk ik op de bel, maar de rode lampjes branden al. Wanneer de tram aan snelheid begint te minderen, sta ik recht. De tram stopt en de deuren schuiven open. Terwijl ik het station uitstap, steekt er een koude windvlaag op. Ik denk aan het laatste dat ze zei vlak voor ik vertrok. Ze zou me de volgende keer leren breien, een sjaal waarschijnlijk ‘want het is hier toch altijd zo koud’, had ze gelachen.

 

Hayat El Khattabi

vorige volgende