reacties (0)


MO* sprak met Sven Gatz, Yasmine Kherbache, Nabilla Ait Daoud en Imade Annouri over het belang van kinderboeken in een superdivers land als België. "De aanwezigheid van boeken in een gezin heeft niet zozeer met migratieachtergrond te maken dan met sociaaleconomische achtergrond."

Maandag 9 maart werd in Borgerhout het resultaat voorgesteld van twee jaar onderzoek en werken rond (super)diversiteit en kinderboeken door Studio Sesam. Dat resultaat kreeg de tastbare vorm van vijf boeken met daarin tien verhalen die geschreven en geïllustreerd werden door auteurs en tekenaars met heel diverse achtergronden.

Tijdens een debat dachten vier politici hardop na over het belang van kinderboeken voor de superdiverse stad en het divers wordend land, over culturele en sociaal-economische diversiteit en over meertaligheid. Een neerslag - MO*hoofdredacteur Gie Goris stelde de vragen, de antwoorden zijn van Sven Gatz (Open VLD, minister van Jeugd, Cultuur en Media), Nabilla Ait Daoud (N-VA, Antwerps schepen van Jeugd), Yasmine Kherbache (sp-a, gemeenteraad Antwerpen) en Imade Annouri (Groen, Vlaams parlementslid).

Favoriete jeugdboek

Het gesprek werd op gang getrokken door de vier politici te laten vertellen over hun favoriete kinder- of jeugdboek. Voor Imade Annouri was dat De dag van de draak van Anthony Horowitz, een van de vier verschenen delen van een onvoltooide reeks van vijf boeken over kinderen die het met superkrachten opnamen tegen het grote kwaad. "Die oeroude strijd tussen goed en kwaad prikkelt mijn fantasie én beweegt mijn politieke engagement."

Leren lezen viel samen met een erg strenge inburgeringsfase bij mijn tante.

Yasmine Kherbache: Leren lezen viel samen met een erg strenge inburgeringsfase bij mijn tante. Vandaar mijn identificatie met Pippi Langkous, een meisje dat zich verzet tegen alle regels en hun behoeders. Dat zij een blonde Zweedse was en ik toen nog voor de volle honderd procent een Algerijnse, dat deed er niet toe. Zij was creatief, anders en nonconformistisch, en dat herkende ik.

Nabilla Ait Daoud: Ik ben opgegroeid met de Tiny-reeks. Tiny als dromer, avonturier, een meisje dat er volop voor ging. Dat sprak me heel erg aan.

Sven Gatz: Mijn favoriete kinderboeken waren de verhalen over het witte konijn Musti. Waarom? Dat is moeilijk exact te benoemen achteraf. Ik werd heel erg aangesproken door dat lieve konijn.

Hoe belangrijk is het eigenlijk dat de grote diversiteit van de hedendaagse steden terug te vinden is in kinderboeken?

Het is van groot belang dat kinderboeken meer inzetten op de superdiverse context waarin we leven.

Yasmine Kherbache: Goesting krijgen om te lezen hoeft niet per se te vertrekken van personages die in hun ethische of culturele achtergrond herkenbaar zijn. Maar het is wél van groot belang dat kinderboeken meer inzetten op de superdiverse context waarin we leven omdat daardoor de realiteit weergegeven wordt. Bovendien had ik bij het lezen van Persepolis van Marjane Satrapi (lees hier het interview met Satrapi, red.) – waarin ze haar eigen belevenissen tijdens en na de Iraanse revolutie verstripte – wel het gevoel dat ik dit gemist had in mijn eigen kindertijd: een verhaal dat ik zelf, op een andere plek en een andere manier, ook beleefd had. Dus herkenning is wel degelijk belangrijk.

Imade Annouri: We wéten hoe belangrijk herkenbare rolmodellen zijn om kinderen te stimuleren een positieve rol in de samenleving op te nemen. Dat geldt voor voetballers en leerkrachten, maar ook voor kinderboeken. Maar literatuur, ook kinderboeken, spelen op heel verschillende vlakken en tonen de realiteit en de mogelijkheden van superdiversiteit op heel verschillende manieren. Kikker en zijn vrienden van Max Velthuijs, bijvoorbeeld, slaagt daarin zonder belerend te worden. Boeken moeten vooral verbeelding stimuleren.

Nabilla Ait Daoud: Het is om te beginnen ontzettend belangrijk dat alle kinderen zoveel mogelijk lezen, omdat het zowel hun woordenschat als kijk op de wereld verbreedt. Het is daarom belangrijk dat de actuele diversiteit ook terug te vinden is in kinderboeken, want herkenbaarheid stimuleert lezen, maar dat mag niet leiden tot het opdelen van die kinderliteratuur in boekjes voor allochtonen en boekjes voor autochtone kinderen.

Maar voor kinderen buiten de grootsteden ziet de wereld er wel grotendeels wit uit. Hoe zit het dan met de behoefte aan herkenning van die kinderen?

Yasmine Kherbache: Als we die kinderen vandaag niet laten kennismaken met de groeiende diversiteit, dan ontzeggen we hen essentiële informatie om morgen klaar te staan om als volwassene in deze wereld te functioneren. Mijn kinderen van 8 en 10 zitten in een klas waarin elk kind een andere achtergrond heeft. Voor hen is superdiversiteit een evidentie, en op een of andere manier moeten we dat aan alle kinderen kunnen aanbieden.

Inhaalbeweging

Een andere vraag is of meer diversiteit in kinderboeken ook leidt tot meer lezen en voorlezen in gezinnen waar dat vandaag niet of te weinig gebeurt.

De aanwezigheid van boeken in een gezin heeft niet zozeer met migratieachtergrond te maken dan met sociaal-economische achtergrond.

Imade Annouri: Dat denk ik niet. De aanwezigheid van boeken in een gezin heeft niet zozeer met migratieachtergrond te maken dan met sociaal-economische achtergrond. In middenklassegezinnen, van welke kleur of achtergrond ook, kennen de ouders het belang van boeken en van lezen. Zij weten ook hoe ze die boeken aanwezig moeten brengen, krijgen op hun werk vaak de ruimte om samen met de kinderen eens naar de bib of naar de boekenbeurs te gaan…

Het aanbod moet veel diverser, dat is duidelijk, maar daarnaast moet er een inhaalbeweging mogelijk gemaakt worden voor gezinnen uit de lagere sociale klasse om de kinderen daar beter en meer in contact te brengen met boeken. Dat zijn twee verschillende opdrachten.

Sven Gatz: Het helpt toch wel als ouders zich kunnen herkennen in de context van het verhaal, en dan is het weerspiegelen van de werkelijke superdiversiteit geen onbelangrijk gegeven. Verder klopt het natuurlijk dat sociaal-economische factoren een belangrijke rol spelen.

Maar zijn er ook goede kinderboeken die de leefwereld van werkloze ouders of van gezinnen waar de mama 's avonds poetst en de papa in de bouw werkt zichtbaar maken? Of blijven we toch vooral gefixeerd op die etnisch-culturele diversiteit?

Imade Annouri: Ik las in De Standaard onlangs dat in 2013 niet meer dan 2 procent van de uitgaven over interculturaliteit ging. Dus nogmaals: daar is een enorme inhaalbeweging nodig. Maar als we spreken over superdiversiteit gaat het veel breder: het gaat dan over de diversiteit in etnie, geloof, cultuur, taal, gezinsvorm, klasse, geaardheid…

Een boek dat er in dat opzicht wél bovenuit steekt, is Rosie en Moussa van Michaël De Cock, waarin de verschillen complex zijn. Dàt is de werklijkheid waarin kinderen opgroeien. Een werkelijkheid die veel meer vragen oproept – voor iedereen – dan antwoorden: over gezinsvormen, over culturele tradities, over geaardheid… Daarover moeten we meer krijgen in de literatuur.

Nabilla Ait Daoud: Ik ben opgegroeid in een gezin waarin de papa in ploegen werkte en de mama huisvrouw was. Maar wij werden wel gepusht om naar de bib te gaan en te lezen.

Sven Gatz: Op de Duitse Buchmesse vertelde men mij dat onze – en ik bedoel daarmee: iedereen die hier woont – schrijvers en illustratoren erg goed zijn in een intuïtieve benadering. Daarin liggen kansen om de thema's van de superdiverse samenleving bij kinderen aan te brengen. Onze kinderen zien die superdiversiteit niet als vreemd of problematisch. Het is hun normale leefwereld. En dus moeten we de verhalen uit die realiteit ook niet te belerend aanpakken.

Markt voor diversiteit

Als slechts twee procent van de uitgaven geworteld zijn in de superdiverse samenleivng, dan is er meer aan de hand dan gebrekkige verspreiding. Zijn er genoeg auteurs en grafici met een etnisch-culturele achtergrond? Zien de uitgevers daar een markt voor?

We hebben een diverser aanbod nodig dan de monocultuur van Geronimo Stilton.

Yasmine Kherbache: De boeken waarover wij spreken, zijn nicheproducten. Die verzamelen en aanbieden via scholen, dat vraagt een relatief grote investering, want ze moeten niet alleen opboksen tegen de witte mainstream, maar vooral tegen de commerciële globalisering.

We hebben een diverser aanbod nodig dan de monocultuur van Geronimo Stilton – al moet ik erkennen dat mijn eigen dochter het leesplezier via die muis ontdekt heeft en nu ook andere boeken is beginnen lezen, wat daarvoor nooit lukte.

Kan een stedelijke overheid een rol spelen in het stimuleren van leesplezier.

Nabilla Ait Daoud: Zeker, en op de eerste plaats via het onderwijs, maar ook door investeringen in de vrijetijdssfeer – onder andere door samenwerking met jeugdbewegingen.

Hoe groot is het probleem aan de kant van de creatie? Als we de boeken zien die Studio Sesam uitbrengt lijkt dat klein, als je naar de mainstream uitgaven kijkt, lijkt het gigantisch.

Er is nog enorm veel weg af te leggen, maar er is ook al heel wat gebeurd.

Imade Annouri: Je hoort altijd hetzelfde refrein: wij willen graag allochtoon talent, maar we vinden het niet. De realiteit is dat dat talent er natuurlijk wel is, maar nog volop in ontwkkeling is.

Vijftien jaar geleden zag je bijna geen jongeren met migratieachtergrond in de creatieve richtingen – dat vonden wij te soft. Intussen is dat helemaal anders. Fikry El-Azzouzi publiceert een verdomd goed boek,

Adil El-Arbi Bilal Fallah leveren een sterke film af, Khadija wordt artistiek leider van kunstencentrum Vooruit en Sidi Larbi Cherkaoui artistiek directeur van het Ballet van Vlaanderen. Er is nog enorm veel weg af te leggen, maar er is ook al heel wat gebeurd. Het is toch ook wel zoals Kader Abdollah zegt: je moet op de eerste plaats een goed boek schrijven, en dan doet het er minder toe of dat vanuit de positie van migrant of vluchteling geschreven werd.

Als dat de opdracht is – schrijf een uitstekend boek-, waarom worden er dan in Vlaanderen relatief minder goede boeken vanuit het superdiverse perspectief geproduceerd dan in Nederland, Groot-Brittannië of Frankrijk?

Sven Gatz: Het klopt wel dat Vlaanderen altijd wat achtergelopen heeft op dit vlak, maar daarom is het Vlaams Fonds voor de Letteren ook actiever op zoek gegaan naar talent en potentie. Dat levert ook echt resultaat op. Wie echt zoekt, die vindt, inderdaad.

Is er naast overheid, school en gezin toch ook niet een cruciale rol voor het middenveld weggelegd?

Nabilla Ait Daoud: Zeker. In Antwerpen mikken we daarvoor ook op samenwerking met jeugdverenigingen.

Yasmine Kherbache: Inderdaad. Want hoe geraak je met die boeken tot bij de kinderen die leven in een gezin waar niet of nauwelijks gelezen wordt. Ik geloof dat zelforganisaties daarin cruciaal kunnen zijn, want zij zijn noodzakelijke bruggen naar deelname in de bredere samenleving. Het is ook daar dat de bestaande verhalentraditie de opstap kan vormen om naar de nieuwe kinderboeken te gaan.

Imade Annouri: Middenveldorganisaties hebben een heel belangrijke rol om het boekenaanbod tot bij de sociaal-economisch zwakkere gezinnen te brengen.

Meertaligheid

We onderbenutten de aanwezige meertaligheid.

Hoe belangrijk is een meertalig aanbod van kinder- en jeugdboeken, naast de diversiteit binnen het Nederlandstalige aanbod?

Yasmine Kherbache: We onderbenutten de aanwezige meertaligheid. Er is zelfs discussie of de bib wel anderstalige boeken moet blijven aanbieden, terwijl dat juist een kapitaal is voor de toekomst.

Door sprookjes of legendes uit andere delen van de wereld ook eens in een andere taal voor te lezen, prikkel je de taalbeleving en de nieuwsgierigheid van alle kinderen. Dat mogen we toch niet laten liggen.

Sven Gatz: Het is inderdaad belangrijk om kinderen ook eens aan te spreken in hun thuistaal, omdat ze zich dan anders aangesproken voelen. Dat doet niets af van het belang van de kennis van het Nederlands, want dat is de taal die we delen en die de communicatie mogelijk maakt.

Nabilla Ait Daoud: Het is op de eerste plaats belangrijk dat kinderen zo snel mogelijk het Nederlands leren beheersen. En het veelvuldig gebruik van de moedertaal in de school stimuleert die kennis van de gemeenschappelijke taal niet. Ik verwachtte als kind niet dat men mij op school in het Arabisch zou aanspreken, integendeel.

Imade Annouri: Mijn ouders spraken nog geen Nederlands toen ik naar school begon te gaan. Thuis spraken we Arabisch. De tv stond op Franse zenders. Op school leerde ik Nederlands. De leerkrachten spraken Frans met mijn ouders, die wél heel betrokken waren op mijn schoolprestaties. Ik hoor van leerkrachten vandaag dat ze dat niet meer mogen. Op die manier dreigen we eerder schoolachterstand te stimuleren dan inhaalbewegingen te organiseren. De meertaligheid is de goudmijn van de superdiverse samenleving, en die moeten we ontginnen, ook om de positie van het Nederlands als de samenlevingstaal te bevestigen.

© 2015  MO* – Gie Goris 


Reacties

Plaats een reactie