Jef Cauwenberghs
reacties (0)
Jef Cauwenberghs

Antwerpen, oktober 2014

Het regende die dag pijpenstelen en een koude wind sneed door de Antwerpse straten. De helft van haar blonde haren zat goed weggemoffeld in haar sjaal. Haar gezicht had ze grotendeels verhuld achter de opstaande kraag van haar jas.
Ik ontvouwde mijn veel te kleine paraplu en bood die haar verlegen aan. Het ding was roze en had bloemetjes maar ach, het deed wat het moest doen en beschermde haar van top tot teen voor elk spatje regen. Ikzelf was minder fortuinlijk en werd al wandelend door de Nationalestraat een martelaar van mijn ontluikende liefde.

Terwijl het water op de tegels van een verlaten Groenplaats kletterde, daalden we af naar het gelijknamige premetrostation. De warme walm die uit de bodem van het trappenstel opsteeg vermengde zich met het desolate spel van een eenzame accordeonspeler. We daalden steeds dieper in de buik van de premetro. Ze keek zo nu en dan zenuwachtig op haar klok. Nog iets meer dan twintig minuten scheidden haar van een laatste treinrit naar het liefelijke Leuven.
Op het perron aangekomen haalde zij haar beurs boven. Met een zekere nauwkeurigheid begon zij muntstukjes in haar hand te tellen. Ik lachte zachtjes en gebaarde haar het kleingeld weg te stoppen. Met de nodige trots peuterde ik mijn telefoon uit mijn doorregende broekzak en stuurde twee korte sms’jes de wereld in. Nog geen halve minuut later vibreerde de mobiel en was ik in het bezit van twee geldige vervoersbewijzen.

Net op tijd want net toen het verouderde, rode knipperlichtje een sprong maakte, gleed het tramstel het station binnen. Terwijl het luide gepiep van sluitende deuren verstomde, nestelde ik me samen met haar in een van de vele lege zitjes. Hoewel mijn natte haren half over mijn ogen hingen, zag ik nu pas haar ware, natuurlijke schoonheid. Mijn hart bonsde in mijn keel maar ik durfde mijn armen net niet over haar schouders te leggen. Ik stelde haar dan maar gerust. Over tien minuutjes zouden we in het Centraal station zijn.

Mijn zelfzekerheid maakte echter al redelijk snel plaats voor paniek. Ik voelde hoe de tram een lichte helling maakte en werd me seconde na seconde steeds beter bewust van waar het tramstel heen denderde. Door het flauw oranjegeel straatlicht ontwaarde ik langzaam maar zeker de bomen op de Blancefloerlaan. Met het schaamrood op de wangen trok ik haar uit het voertuig. De regen kletterde nog steeds. Ik begroef mijn gezicht in mijn handen. Hier stonden we dan: zij, zich niet geheel bewust van de situatie, naast een kerel die haar net de verkeerde tram introk.
Voorzichtig lichtte ik haar in over de kapitale fout die ik gemaakt had. De woorden leken haar te doordringen als loden kogels. Ook haar gezicht verdween in haar handen.

We haastten ons naar overkant van het perron in de hoop dat een oplossing letterlijk zou komen aanrijden. Ons collectief gebed leek gehoord te zijn. Nog geen paar minuten later kwam een verse tram aanslenteren. We nestelden ons dit keer iets minder gemakkelijk alweer in de met stof beklede stoeltjes. Ik kon uit schaamte met mijn hoofd het raam wel kapotslaan terwijl zij met veel stress en tegenzin aan haar nagels begon te knabbelen. Als de staaf van een metronoom wisselde haar blik af tussen de leegte van de tram en haar strak aangesnoerde polshorloge. De tijd tikte, letterlijk. Hoewel het uilskuikenschap nog steeds meester over mij was, maande ik haar voorzichtig aan tot een korte maar krachtige sprint eens de deuren van de tram onder het gepiep van een alarm dat als startsein zou gelden, zouden opengaan.
Piep, piep, piep! Twee atleten die net uit de startblokken schoten, baanden zich geheid een weg door Diamant. Elke tweede trede moest eraan geloven en werd prompt overgeslagen in een doldwaze race naar de finale rit. Als gekken stoven we de middenstatie binnen. Met een oog half op het gigantisch, digitaal informatiebord gericht trok ik haar als een wervelwind mee richting spoor 13.
Geen roltrap die ons tempo kon bijhouden. Onder het gefluit van een ongeduldige treinbegeleider hees ze zich de trein in. Luttele seconden voor ook deze deuren zich met het nodige gepiep zouden sluiten, voelde ik haar warme lippen stevig tegen de mijne aangedrukt. Me nog niet bewust van wat er net gebeurd was, zag ik haar schalkse glimlach achter stevig dubbel glas verdwijnen. 

 

Jef Cauwenberghs

vorige volgende

Reacties

Plaats een reactie