© Wikimedia

Volgens een voorontwerp van decreet dat De Morgen kon inkijken wil Onderwijsminister Zuhal Demir (N-VA) een reeks extra verstrengingen doorvoeren in het hoger onderwijs om het aantal zogenaamde ‘eeuwige studenten’ terug te dringen. “Zuhal Demir richt haar pijlen op de individuele student, zonder naar het systeem te kijken”, vindt Omar Alabdan.

Studenten zouden ieder academiejaar minstens 54 studiepunten van de 60 moeten opnemen, en op 80 procent van hun vakken slagen om geen bindende voorwaarden te krijgen in hun studietraject. Dat blijkt uit een voorontwerp van decreet waar De Morgen zijn hand op kon leggen. Daarnaast zou iedere student maximaal vier examenkansen per vak krijgen. Vandaag geldt die maatregel enkel voor eerstejaarsstudenten. Wie herhaadelijk faalt riskeert definitieve uitsluiting uit gelijkwaardige opleidingen.

Deze plannen bouwen voort op eerdere ingrepen van voormalig minister en N-VA-partijgenoot Ben Weyts, zoals de ‘harde knip’ die studenten verplichtte om alle vakken van het eerste jaar af te ronden voor ze konden doorstromen naar het derde bachelorjaar. De onderliggende beleidslogica is duidelijk: wie niet snel genoeg vooruitgaat, wordt vroegtijdig uitgesloten.

Efficiëntie is geen synoniem voor rechtvaardigheid

De centrale redenering van beide ministers klinkt op papier rationeel: studenten die in hun eerste jaar weinig studiepunten behalen, zouden statistisch gezien minder kans hebben om ooit af te studeren. Dus is het efficiënter en goedkoper om hen vroegtijdig hun studies te laten stopzetten.

"Achter de onvoldoendes schuilen vaak financiële druk, noodzakelijke studentenarbeid, mentale problemen, een moeilijke thuissituatie, ziekte of simpelweg een verkeerde studiekeuze"

Dat argument negeert echter alles wat niet in tabellen past. Studeren is geen lineair proces, en studenten zijn geen homogene groep. Achter de onvoldoendes schuilen vaak factoren waar beleid nauwelijks rekening mee houdt: veel uren bijverdienen in een studentenjob om studies te betalen, mentale problemen, een moeilijke thuissituatie, ziekte of simpelweg een verkeerde studiekeuze.

“Drie op de tien studenten zeggen dat hun studentenjob hun schoolprestaties schaadt en één op vier blijft werken tijdens de blok of examens”, aldus Wim Van der Linden, woordvoerder van Randstad, aan VRT. Het is nota bene dezelfde regering die het aantal werkuren voor studenten fors verhoogde.

Niet iedereen start van dezelfde lijn

Wat gebeurt er met studenten die meer tijd nodig hebben? Met jongeren die hun opleiding combineren met werk omdat studeren anders onbetaalbaar is? Met studenten die pas na één of twee jaar ontdekken dat ze in de verkeerde richting zitten, maar wél het potentieel hebben om te slagen?

"Flexibiliteit was is één van de sterktes van het Vlaamse hoger onderwijs en nu wordt ze ingeruild voor een afvinklogica die vooral selecteert op snelheid, niet op groeipotentieel"

Onder de nieuwe regels wordt die realiteit niet erkend, maar afgestraft. Minder dan 30 procent van je vakken gehaald? Stoppen. Te vaak herexamens? Weg. Drie keer geweigerd om een opleiding voort te zetten? Geen toegang meer tot een opleiding die leidt tot dezelfde graad. Dat voelt niet als begeleiding, maar als uitsluiting.

Flexibiliteit was één van de sterktes van het Vlaamse hoger onderwijs en nu wordt ze ingeruild voor een afvinklogica die vooral selecteert op snelheid, niet op groeipotentieel.

Als student weet ik dat leren zelden perfect verloopt. Je groeit door fouten te maken, door te zoeken, door soms een omweg te nemen. Net die ruimte maakt onderwijs menselijk. Wanneer het beleid studeren herleidt tot rendementscijfers en snelheid, verdwijnt die menselijkheid. Dan wordt een student geen lerende meer, maar een financiële last. Alsof onderwijs enkel een kostenpost is, en geen investering in menselijk kapitaal, sociale mobiliteit en democratische weerbaarheid.

De maatschappelijke prijs van strengheid

Strengere regels zullen het aantal langdurige studietrajecten mogelijks doen dalen, maar brengen ook risico’s met zich mee: studenten die bezwijken onder de faalangst, of een generatie jongeren die zonder diploma op de arbeidsmarkt terechtkomt.

Die gevolgen treffen niet iedereen gelijk. Studenten uit kwetsbare socio-economische milieus lopen het grootste risico: wie geen financiële buffer heeft, een stabiele thuissituatie of academische achtergrond in familie, kan zich geen fouten permitteren. Zo ondermijnen uniforme strengere regels precies het principe van gelijke onderwijskansen en precies die groep heeft baat bij begeleiding en maatwerk, niet bij harde uitsluiting.

Onderwijs vraagt visie, geen stopwatch

De bezorgdheid over de kostprijs van lange studietrajecten is legitiem. Maar besparen door studenten sneller uit het systeem te duwen, verplaatst de kost van onderwijs naar de arbeidsmarkt. Wie geen diploma kan behalen, ziet zijn kansen op een job wegsmelten. Dat duwt jongeren in de werkloosheid en maakt hen afhankelijk van uitkeringen. Net wat deze regering ook wil vermijden. Een duurzaam beleid investeert daarom in betere studieoriëntatie, intensieve begeleiding in de eerste jaren, mentale ondersteuning en betaalbaar studeren.

De vraag is niet of studenten verantwoordelijkheid nemen, dat doen ze al. De echte vraag is of hoger onderwijs een wedstrijd tegen de tijd moet worden. Een beleid met santionerende maatregelen lijkt misschien daadkrachtig, maar zonder begrip en begeleiding werkt het niet. Goed onderwijs combineert duidelijke verwachtingen met menselijkheid. Het helpt studenten vooruit, in plaats van hen af te schrijven omdat ze niet snel genoeg gaan.

vorige